Banner trap
< terug naar nieuwsbrief

Tip van uw boekhandel

Foto: Leonardo Cendamo


Het wordt tijd om onze schijnwerpers te richten op Elizabeth Strout, de Amerikaanse auteur die bovenaan het lijstje favoriete schrijvers staat bij bijna alle medewerkers van onze boekhandel. Als je ons vraagt waarom, dan hoor je van Jacinthe, Tatjana, Anna of Ine: haar ‘gewone’, maar onvergetelijke personages, haar feilloze menselijke inzicht, haar vederlichte toon, haar vermogen om dingen te zeggen zonder ze uit te spreken – kortom alles waar wij van houden. Niet voor niets werd ze onlangs opnieuw genomineerd voor de prestigieuze Booker Prize (die ze helaas niet won) en hangt haar portret in onze wall of fame van vrouwelijke auteurs.
Onlangs verscheen haar nieuwste roman, Lucy aan zee, alweer een meesterwerk.

In 2016 ontdekten we Elizabeth Strout bij toeval, nieuwsgierig gemaakt door een lovende recensie van Jan Donkers. ‘Bewonderenswaardig, hoeveel lagen een schrijfster in een korte roman aan kan brengen en tegelijkertijd hoeveel ze onbeschreven kan laten,’ schreef hij in NRC over Ik heet Lucy Barton. We hadden eerlijk gezegd nog nooit van haar gehoord, al had ze toen al vier goed ontvangen boeken op haar naam staan, waaronder het verfilmde Olive Kitteridge, waarmee ze de Pulitzer Prize won. Hoe dan ook, we wilden meteen haar boek lezen, liefst dezelfde avond nog.

Elizabeth Strout groeide op in kleine stadjes in Maine en New Hampshire, waar ook veel van haar boeken zich afspelen. Al heel jong wist ze dat ze schrijver wilde worden, maar ze debuteerde, na talloze afwijzingen door uitgevers, pas op haar 42ste met de roman Amy en Isabelle, een subtiel portret van de ingewikkelde band tussen een moeder en haar dochter en de kleine gemeenschap waarin ze leven. In de jaren daarna, tussen 1998 en 2022, volgden nog acht boeken.

‘Het is maar goed dat we niet weten wat ons nog te wachten staat in het leven,’ zegt Strout in haar nieuwste roman Lucy aan zee en die gedachte staat centraal in haar werk. Haar romans vormen een bijzonder mozaïek, ze borduren voort op eerdere verhalen, soms is een bijfiguur opeens hoofdpersoon in een nieuwe roman en soms duikt een hoofdpersoon op als figurant in een ander verhaal. Zo raken haar boeken op een unieke manier met elkaar vervlochten, ze scheppen een eigen universum. Maar elke roman staat op zichzelf en kan ook zonder enige voorkennis gelezen worden.

Lucy aan zee is de vierde roman waarin Lucy Barton de hoofdrol speelt. Ik heet Lucy Barton (longlist Booker Prize 2016), Niets is onmogelijk en Het verhaal van William (shortlist Booker Prize 2022) gingen eraan vooraf.

Een samenvatting van Strouts boeken doet geen recht aan de subtiele structuur en zeggingskracht, maar we doen toch een poging.

‘Zoals zoveel anderen had ik het niet zien aankomen.

Maar William is een wetenschapper en hij zag het wel aankomen; hij zag het eerder dan ik, bedoel ik.’

Het is begin 2020, in New York manifesteren zich de eerste verschijnselen van corona, maar Lucy is met heel andere dingen bezig. Ze heeft het jaar ervoor haar man verloren, in de herfst is haar nieuwe boek verschenen en ze heeft net haar boektournee achter de rug.
Dan belt William, haar ex-man. Ze is al járen van hem gescheiden en hij is net door zijn derde vrouw verlaten. Hij vraagt haar of ze met hem mee wil, de stad uit, het is maar voor een paar weken, zegt hij. William maakt zich zorgen over de wereld, over zijn land, over de toekomst van zijn kinderen en ook over Lucy.

Lucy vindt de bezorgdheid van William overdreven. Toch gaat ze met hem mee naar Crosby, een plaatsje aan zee, waar hij tijdelijk een huis heeft gehuurd. Daar probeert het oude liefdeskoppel zich samen staande te houden, zonder hun New Yorkse leven en luxe, gekweld door herinneringen en irritaties, gevoed door nieuwe intimiteiten en gestuurd door ingrijpende gebeurtenissen met hun volwassen dochters.

Het verhaal begint traag, maar wint gaandeweg steeds meer aan intensiteit. Strout laat het Lucy vertellen alsof ze bij je aan de keukentafel zit, heel terloops en met herhalingen, typerend voor Lucy’s zoekende geest. Net als in Strouts eerdere boeken gaat het over trouw en ontrouw, elkaar kennen en niet kennen, perikelen tussen moeders en dochters, armoede, spijt, schuld, schaamte en onvermogen. Vaak is het aangrijpend en ontroerend, Strout kan je met een enkel zinnetje raken.

Zoals in de scène waarin Lucy zich herinnert dat ze haar moeder op haar sterfbed opzoekt, verschillende keren met haar dochters belt en haar moeder, die tot dan toe zweeg, opeens tegen haar zegt: ‘je bent veel te veel met die meisjes verstrengeld. Kijk maar uit, ze keren zich nog eens tegen je.’

Lucy is geen heilige, ze doet haar best, probeert er voor haar naasten te zijn maar kan haar karakter niet verbloemen. Dat is precies wat je als lezer zo voor haar inneemt en wellicht herkent. En Strout kan dat onnadrukkelijk, in een magistrale scène over iets schijnbaar onbenulligs, laten zien.

‘Een keer kwam er ’s nachts een herinnering boven: jaren geleden, toen William en ik met onze jonge meisjes in ons appartement in New York woonden, had ik zijn schoenen naast het bed zien staan. Ik was de slaapkamer binnengelopen om een overhemd in zijn kast te hangen en daar stonden zijn schoenen, niet zijn werkschoenen, maar de schoenen die hij buiten werktijd droeg, ze leken op bootschoenen – ik geloof dat ze zo heten – van leer, met een leren vetertje eromheen geregen. En dit herinnerde ik me: ze stonden me tegen, de manier waarop ze zich zo duidelijk naar de voeten van mijn man hadden gevormd, het feit dat de rechterschoen iets opzij helde. Ze stonden me tegen, de schoenen van mijn echtgenoot.’

Groots schrijven over alledaagse dingen – dat is wat Elizabeth Strout doet.

Inschrijven nieuwsbrief