Banner trap

Nieuwsarchief

Eerdere favorieten

vertaald uit het Pools door Karol Lesman

Tatjana over Saturnin

Na Roest komt Jakub Małecki opnieuw met een prachtige roman, waarin de Tweede Wereldoorlog de rode draad vormt. Saturnin is een familiekroniek die drie generaties omspant. Het verhaal begint met een telefoontje van Saturnins moeder dat opa Tadeusz spoorloos is verdwenen. In Saturnins zoektocht naar zijn grootvader legt Małecki subtiel bloot hoe de gruwelen die Tadeusz heeft meegemaakt in de oorlog doorwerken in de levens van Tadeusz, zijn dochter Hania en kleinzoon Saturnin. Dat hier niet over gesproken wordt, is misschien nog wel erger. Het leidt tot schaamte en eenzaamheid. Małecki verwoordde het mooi in een interview: ‘Ik denk dat in veel huizen nog steeds veel meer wordt gesproken over aardappelen, waspoeder en benzineprijzen dan over verliefdheid of teleurstelling.’

Małecki karakteriseert zijn personages met verschillende vertelperspectieven en in diverse vertelvormen, wat het verhaal interessant en bij vlagen zelfs magisch maakt. Zijn stijl is echter direct en zonder poespas en dit maakt Saturnin voelbaar tot op het bot. Dit laatste is ook zeker de verdienste van vertaler Karol Lesman.

Alvast een klein voorproefje:
‘Toen ik nog in Kwilno woonde gingen we weliswaar elke zondag naar de kerk, maar volgens hetzelfde principe als volgens welke we naar verjaardagen, doopfeesten en bruiloften gingen. Ma, opa en ik behoorden tot de mensen die wel geloofden maar zonder overdrijven.’

En nog een tip voor wie het gaat lezen: lees het nawoord ook pas echt aan het eind.

vertaald uit het Engels door Barbara de Lange

Lena over Naar de vuurtoren

Virginia Woolf is een van die schrijfsters van wie je misschien denkt dat haar boeken stoffige verhalen van vroeger zijn. Dit is naar mijn idee een grote misvatting; ik heb nog nooit een boek gelezen dat meer op het leven leek dan Naar de vuurtoren.
Het wordt vaak haar meest autobiografische werk genoemd. Woolf groeide op in een groot gezin in Engeland aan het einde van de 19de eeuw. ’s Zomers gingen ze naar hun zomerhuis in Cornwall, in de buurt van een vuurtoren.

In Naar de vuurtoren lezen we over de familie Ramsay en hun gasten. Mevrouw Ramsay is de moeder van het gezin van acht, ze is het toonbeeld van de Victoriaanse vrouw; liefdevol, moederlijk, zorgzaam en plichtbewust. Mr. Ramsay is een lastige man, zijn kinderen zien hem als een tiran. Bij hen te gast is de schilder Lily Briscoe, die moeite heeft met schilderen en met het leven. Het gezelschap wil de vuurtoren opzoeken maar dit plan zal pas tien jaar later, zonder mevrouw Ramsay, uitgevoerd worden.

Het is een boek waar je echt de tijd voor moet nemen, anders gaat de tekst helemaal langs je heen en dat is ontzettend zonde. Er zit namelijk zoveel schoonheid en waarheid in verscholen. Er komen zoveel aspecten aan bod: relaties, persoonlijke beleving en tijd, om de belangrijkste te noemen. Het perspectief wisselt telkens, subjectiviteit speelt dan ook een grote rol. Naar de vuurtoren moet je net als het leven zelf ondergaan.

Ine over de wandelboekjes Terloops

Als ik even niet meer weet wat ik wil lezen dan grijp ik graag naar de wandelboekjes van Van Oorschot. Terloops heten ze en stuk voor stuk zijn het juweeltjes. Rotte appels kent de serie niet, alleen de beste auteurs mogen eraan bijdragen. De boekjes, ze passen in je jaszak, zijn interessant en informatief, goed geschreven, soms heel geestig (Gerbrand Bakker) en ze brengen je altijd in een buitengewoon prettige stemming.

Bijna heel Zutphen heeft inmiddels wel Marjoleine de Vos’ filosofische wandeling rond haar Groninger huis Je keek te ver gelezen. Maar nog relatief onontdekt is Sander Kollaards prachtige boekje met de uitnodigende titel Lentehonger, over het Zweedse voorjaar, de frisheid ervan, het licht en de kleur. Het ontroerende Dassenpad van Jacques Vriens voert je door een eeuwenoude holle weg in het heerlijke Limburgse land. En in het stadse en nostalgische Met moeder mee wandelt Joyce Roodnat door Amsterdam Oost, de buurt waarin zij opgroeide. Allemaal zeer van harte aanbevolen!

vertaald uit het Frans door Jelle Noorman

Herman over De diepst verborgen herinnering van de mens

‘Sarr vertelt op virtuoze wijze over de zoektocht naar de verdwenen schrijver van een verloren gewaande cultklassieker. Het resultaat is een verslavend verhaal van een queeste die hele continenten doorkruist, en die verweven is met de complexe erfenis van het kolonialisme.’

Tot zo ver de flaptekst, en die klopt, maar u weet eigenlijk nog niks. De inhoud en, vooral, de impact vertellen van de 461 pagina’s gaat mijn pennenkrachten te boven, dus u zult het moeten doen met wat invalshoeken bij De diepst verborgen herinnering van de mens van Mohamed Mbougar Sarr.

De diepst verborgen herinnering van de mens is, net als jaren geleden Honderd jaar eenzaamheid, hallucinerend.
– Lezend en meelevend weet je vaak niet meteen wie er aan het woord is; een mooie illustratie van een groot thema: woorden en daden van iedereen kennen diepst verborgen bronnen.
– Het boek dat alle andere overbodig maakt bestaat niet, maar je mag geloven dat het wel bestaat.
– Een lekkere whodunnit.
– Kolonialisme is ingewikkelder dan je al wist.
– Op de achtergrond zingen veel boeken mee. Zelfs het ‘Liever niet’ van de klerk Bartleby kwam met bronvermelding voorbij.
– Je wordt met je neus op je eigen woorden (‘zijn ze van mij?’) en je eigen daden (idem) gedrukt.
– Kortom: lezen! (en doe daar geen weken over want dan wordt het misschien verdwalen in plaats van aangenaam hallucineren).

vertaald uit het Engels door Rob de Ridder

Bram over De geschiedenis van het heelal in 21 sterren (en 3 bedriegers)

De geschiedenis van het heelal in 21 sterren (en 3 bedriegers) is een fascinerende gids door de kosmos. Auteur Giles Sparrow heeft een speelse manier gevonden om met behulp van 21 sterren en 3 ‘bedriegers’ het verhaal van het heelal te vertellen. In elk hoofdstuk legt hij via een ster uit hoe het heelal zich heeft ontwikkeld, hoe het nog steeds evolueert en hoe we dit dankzij deze ster weten.

Ook de ‘bedriegers’ zijn leuk, want door deze nepsterren zijn we erachter gekomen dat we toch niet álles wisten van het heelal.  Zij zorgden ervoor dat we nieuwe ideeën moesten bedenken en oude theorieën moesten aanpassen. Neem bijvoorbeeld de Andromedanevel, een ‘ster’ die een geheel ander sterrenstelsel bleek te zijn. Blijkbaar was de Melkweg niet het enige sterrenstelsel!

Door de handige plaatjes, bedoeld om de desbetreffende sterren zelf aan de sterrenhemel te vinden of om moeilijke sterrenkunde makkelijk te maken, is dit boek perfect voor iedereen die astronomie interessant vindt, van beginner tot gevorderde. Ook voor mij, als student sterrenkunde, was het een fijne en leerzame leeservaring. Wat mij vooral aansprak, waren de vele aansporingen om de besproken sterren zelf te gaan ontdekken. Dat was een welkome aanvulling op mijn studie, waarin we ons meestal focussen op de theorie en niet op het sterrenkijken zelf.

Anna over Het laatste voorjaar

Een door haarzelf geschreven in memoriam voor literair tijdschrift Tirade blijft haar tot op heden achtervolgen. Maar veertien jaar na haar laatste boek, verschijnt er toch echt een nieuwe roman van de springlevende Minke Douwesz: Het laatste voorjaar.

Twee boeken schreef Douwesz eerder: Strikt, over de ontwikkeling van een liefde, en Weg, over het einde en de nasleep van een relatie. Voor die laatste ontving ze de Opzij Literatuurprijs en de Anna Bijns Prijs.

Zoals altijd is haar hoofdpersonage een nuchtere, ietwat stugge lesbische vrouw van wie je steeds meer gaat houden. In Het laatste voorjaar is dat Ese Jelles, lerares Duits van een jaar of vijftig, die na jaren trouwe dienst op een dag spontaan ontslag neemt en besluit om naar de Krim te fietsen, naar het huis van Tsjechov.

In haar kenmerkende realistische en gedetailleerde schrijfstijl, gelardeerd met onderkoelde humor, beschrijft Douwesz Ese’s tocht. Met toneelwerken van Tsjechov en Paustovski’s Verhaal van een leven in haar fietstas gaat ze op reis, door Duitsland, Polen en Oekraïne. De fietstocht wordt afgewisseld met verhaallijnen in het verleden – zowel over de afgelopen jaren, waarin ze zich steeds meer is gaan ergeren aan de onstuitbare en zinloze onderwijsvernieuwingen op haar school, als over haar relatie met haar grote liefde Martie, die onlangs is overleden. Ondertussen maakt Ese zich druk om de wereld, die in haar ogen in rap tempo ten onder gaat. Ik kon niet stoppen met lezen!

Bram over Heb ik dat gemaakt?

Heb ik dat gemaakt? gaat over de vormende jaren van één van Nederlands grootste architecten: H.P. Berlage. Het boek is geschreven door zijn kleinzoon Max van Rooy, die gebruik maakt van persoonlijke interviews en notities. Zo krijg je echt een inkijkje in de persoon Berlage zelf.

In tegenstelling tot veel andere architecten in die tijd verafschuwde Berlage confrontaties en discussies. Ook vermeed hij het combineren of het laten botsen van stijlen en motieven in zijn gebouwen. Berlages stijl wordt dan ook mooi omschreven als ‘eenvoud in de veelheid’. Neem bijvoorbeeld de Beurs van Berlage waarin een vast patroon meerdere keren wordt herhaald of het ontwerp voor een prijsvraag voor een raadhuis in Zutphen in oud-Hollandse renaissancestijl. Helaas is dit raadhuis nooit gebouwd, anders hadden we hier in Zutphen onze eigen Berlage staan.

Het raadhuis van Zutphen dat nooit gebouwd is

 

Het boek is een fantastisch middel om bekend te raken met verschillende bouwstijlen en de architectenscene van Amsterdam na 1850. Bij het hoofdstuk over zijn reis door Italië als twintiger pakte ik constant mijn telefoon erbij om de paleizen en binnenplaatsen te bekijken die hij in zijn reisnotities beschrijft. Een mooie biografie die eer aan de persoon Berlage doet.

vertaald uit het Engels door Peter Bergsma

Ine over De Pool

De boeken van J.M. Coetzee zijn vaak klein van omvang, maar de intensiteit spat van elke pagina. Ze zijn raadselachtig en glashelder, diepzinnig en nuchter en als je ze uit hebt, wil je meteen opnieuw beginnen om alsnog te doorgronden waar je in je gretigheid waarschijnlijk overheen hebt gelezen.

In zijn nieuwste, ronduit schitterende roman, De Pool, draait het om een oudere pianist uit Polen met zoveel w’s en z’s in zijn naam dat niemand die durft uit te spreken. Ze noemen hem simpelweg ‘de Pool’. Een vitale zeventiger is hij, met lange zilveren manen, en hij heeft zijn zinnen gezet op de twintig jaar jongere, getrouwde Beatriz. Op haar projecteert hij zijn liefdesidealen, maar zij is er niet gevoelig voor, wíl er niet gevoelig voor zijn. Samen spelen ze een geraffineerd psychologisch spel van aantrekken en afstoten.

Coetzee laat je met allerlei vragen achter. Waarom nummert hij de alinea’s in zijn boek? Wie is er op de eerste pagina’s aan het woord? Waarom al die verwijzingen naar Chopin? ‘Geluk is niet het belangrijkste. Iedereen kan gelukkig zijn’, laat hij de Pool zeggen. Maar waar gaat het dán om in het leven?

Een ding is zeker: Coetzee heeft je meteen in zijn greep en hij laat je niet meer los.

Jacinthe over Moeder en pen

‘Ik wilde gaan werken, maar het lukt niet. Dus schrijf ik me weer de haastpokken in dit schrift, al lijkt het soms te helpen bij het bedwingen of ordenen van de gebeurtenissen of het ontbreken ervan, wat in feite ook een belevenis is.’ Dit noteert Mensje van Keulen – dan al een gevierd auteur – op 15 maart 1979, zoon Aldo is 9 maanden oud. Het in februari verschenen Moeder en pen is het langverwachte vervolg op haar eerdere dagboeken en beslaat de jaren 1979 tot 1983. Lang geleden alweer, maar de openhartige beschrijving van de tegenstrijdige gevoelens die het moederschap bij haar oproept is hoogst actueel*. Van Keulen schrijft: ‘Zoon. Aldo. Twintig dagen oud. Een bijna versmorende liefde. Tegelijkertijd is hij als een logeetje waar ik me af en toe geen raad mee weet.’

Maar haar dagboek gaat over veel meer. Nuchter en droogkomisch doet ze verslag van haar mislukte huwelijk – haar man gaat vreemd, ziet nauwelijks naar het jongetje om, is jaloers op haar roem –, haar vriendschappen met Ischa Meijer, Bibeb, Hans Warren, Gerrit Komrij, Maarten ’t Hart, Peter Vos, en vooral de strijd om te kunnen blijven werken. ‘Alleen de verbeelding is […] nog eigen terrein.’ In ieder voorval ziet zij een mogelijk verhaal; een te hard neergezette pot gelei ‘trekt een bloedspoor’, het ‘blote pikkie’ van een Franse conducteur vindt zijn weg in Nachttrein. Het maakt hongerig om de rest van haar werk te (her)lezen.

* Deze maand is in Dat Bolwerck een tentoonstelling te zien over dit onderwerp dat nog altijd omgeven is met taboes. Ianthe Mosselman, schrijfster van een literair essay met de veelzeggende titel Al die liefde en woede, zal daar op 29 april een lezing verzorgen.

vertaald uit het Duits door Bart van Kreel

Lena over Licht in het duister

Als biologiestudente verdiep ik mij regelmatig in de geschiedenis van het leven op aarde. Tot mijn spijt gaat daardoor de geschiedenis van de mensheid vaak aan mij voorbij. Om dat gat te vullen kwam ik uit bij Licht in het duister van Stefan Zweig. Hierin zijn 14 historische miniaturen gebundeld die hij in de loop van zijn leven geschreven heeft.

De titel Licht in het duister kan, net als de oorspronkelijke Duitse titel Sternstunden der Menschheit, misleidend zijn. Het gaat namelijk niet alleen om glorieuze momenten uit de geschiedenis. Stefan Zweig beschrijft ‘dramatische, lotsbepalende momenten met een invloed die zijn eigen tijd verre overschrijdt’. Maarschalk Grouchy die Napoleon niet komt versterken bij de slag om Waterloo en de noodlottige Antarctica-expeditie van Robert Scott komen bijvoorbeeld aan bod. Ook de culturele geschiedenis komt voorbij, zoals het ontstaan van het oratorium Messiah van componist Händel of de laatste dagen van het leven van Leo Tolstoj.

Doordat hij ze op verschillende momenten geschreven heeft (enkele verhalen zijn later in zijn leven en enkele postuum aan de bundel toegevoegd) variëren ze in stijl. De verhalen zijn 8 tot 35 pagina’s lang en ze komen echt tot leven. Het beviel mij daardoor goed om het als korte verhalenbundel te beschouwen en tussendoor ter ontspanning een verhaal te lezen.

Licht in het duister is aan te raden voor iedereen die iets van Stefan Zweig wil lezen, wil genieten van mooi geschreven verhalen of zich zonder al te veel inspanning met geschiedenis wil bezighouden.

vertaald uit het Duits door Ralph Aarnout

Tatjana over Tanners erf

Aangetrokken door het prachtig geïllustreerde omslag en het formaat (klein) begon ik aan Tanners erf. En wat een verrassing bleek deze novelle van de Zwitserse Lukas Maisel (goed vertaald door Ralph Aarnout). Alles aan dit boekje is van een eenvoudige schoonheid, te beginnen met het verhaal.

Boer Tanner heeft een stukje land, wat koeien, kippen en zijn vrouw Marie. Op een dag zijn er twee enorme gaten op zijn land ontstaan. Het is een raadsel hoe dat zo gekomen is.
Met zijn droge stijl schetst Maisel het zwijgzame en trotse karakter van deze eenvoudige boer. En laat hij zien hoe dit hem langzaam te gronde richt. Maar Tanner is wie hij is en ik kan niet anders dan met hem meevoelen.

‘Tanner is niet iemand die zich graag met cijfers bezighoudt. Hij vertrouwt ze niet. Je kunt een heleboel cijfers achter elkaar zetten, maar het levert niet iets op, zoals bij letters. Als je die achter elkaar zet, dan levert dat een woord op, “peer” bijvoorbeeld, en een peer kun je in je hand nemen en voelen.’

Zelfs de vormgeving van het boek draagt bij aan het verhaal. Van deze auteur, die ook voor zijn dankwoord slechts twee zinnen nodig heeft, wil ik beslist meer lezen.

Tess over Je mag ook niets meer zeggen

Het is een gevleugelde uitspraak geworden die de tijdgeest typeert: ‘Je mag ook niets meer zeggen.’ Niet voor niets schreef Mounir Samuel een boek met precies die titel. Zijn doel is ‘dé blauwdruk voor een inclusieve, veilige en toegankelijke taal voor iedereen’ te presenteren.

Samuel behandelt vijf sociale en politieke thema’s die volgens hem toe zijn aan nieuwe terminologie of herziene definities. Hij pleit voor een herindeling van de taal om zo de samenleving toegankelijker, toleranter en inclusiever te maken.

De vijf thema’s zijn: geslacht, genderidentiteit en seksuele oriëntatie, toegankelijkheid en validisme, dekolonisatie en racisme, inclusie en erkenning, democratisering en eigenaarschap.
Voor mij was een eyeopener het verschil tussen een beperking (iets wat je hebt) en een handicap (iets wat je ervaart).

Het boek heeft wat weg van een studieboek, maar Samuels stem klinkt wel door op elke pagina; het is duidelijk een passieproject. Naast dat Samuel de taal in duikt, geeft hij ook sociale en historische context om zo goed mogelijk duidelijk te maken waarom taalverandering noodzakelijk is. Daardoor is dit boek geen streng voorschrift, maar is er ruimte om zelf na te denken en het wel of niet eens te zijn met wat hij voorstelt.

Lees het aandachtig, neem de tijd, blader terug en bovenal: blijf open minded.

Bram over Je weet niet wat je ziet

Als sterrenkundestudent ben ik niet elke dag bezig met kunst en kom ik zeker niet elke dag kunstenaars tegen. Als ik musea bezoek, vind ik de kunstwerken meestal mooi, maar wat ze precies mooi maakt, kan ik niet zeggen. Vaak stel ik me de vraag: ‘waar kijk ik eigenlijk naar?’ En precies op die vraag geeft Will Gompertz in zijn nieuwste boek Je weet niet wat je ziet antwoord.

Het boek nam me mee langs mij bekende kunstenaars als Hockney, Kandinsky en O’Keeffe, maar ook langs onbekende kunstenaars, zoals El Anatsui, Tracey Emin en James Turrell. Het gaat over schilderijen, beelden en alledaagse voorwerpen en bij elk kunstwerk geeft Gompertz antwoord op de vraag waarom het bijzonder is. We leren iets over de kunstenaar, over de context, over de technieken die gebruikt zijn en hoe we door dat kunstwerk anders naar de wereld om ons heen kunnen kijken.

En dat laatste is de kracht van dit boek. Door wat ik nu over Hockney weet, zie ik daadwerkelijk het paars in bomen en na het hoofdstuk over Tracey Emin de kunst in mijn onopgemaakte bed.

Herman over De Reynaert

Voor het verhaal van de Reynaert hoeft u dit boek niet te lezen want dat verhaal kent u al, ook al kunt misschien niet alle dieren en alle listen en gruwelijkheden uit elkaar houden. Maar bent u benieuwd naar het verhaal áchter het verhaal dan is dit uw boek. Wist u bijvoorbeeld dat Goethes Reynaert-berijming van 1794 zorgde voor de ontdekking van het oudste handschrift van de Reynaert?

Wist u dat de Reynaert eigenlijk geen leestekst is, maar een speeltekst, bijvoorbeeld opgevoerd in 1943 in interneringskamp Sint-Michielsgestel? En dat Reynaert ook in Oekraïne beroemd is, als tekenfilm en als klassiek kinderboek ‘Mykyta de Vos’?

Wist u dat volksstammen aan hele en halve geleerden op de Reynaert gestudeerd hebben en studeren, dat het bijna altijd witte mannen zijn (dat wist u), maar dat het een vrouw was die in de slotverzen het acrosticon ‘Bi Willeme’ ontdekte?

Wist u dat de Reynaert aan de top prijkt van de Vlaamse canonpiramide en dat voor Louis Paul Boon Reynaert een republikeinse anarchist was en een krachtig rolmodel voor de kleine Vlaamse man?

Wist u dat er heel serieus onderzoek is gedaan naar de vogel die kater Tybeert van slag maakt en dat pas onlangs is komen vast te staan dat het om een blauwe kiekendief gaat?

En kende u het luipaard Firapeel uit het slotwoord van de Reynaert, door Frits van Oostrom beschreven als de vleesgeworden politicus die een geitenpaadje weet?

Wist u dat de kenners het er wereldwijd over eens zijn dat de Reynaert literair het toppunt van het genre is?

Overbodig te zeggen dat Van Oostrom dit alles weet en nog heel, heel veel meer. Liefst gedurende 60 jaar heeft hij met de Reynaert geleefd, als kind van tien jaar oud dat een navertelling las tot de gelouterde geleerde te midden van een massieve vakbibliotheek en stapels documentatie in handschrift, druk en digitaal. Het leverde een standaardwerk op dat ik met ongelofelijk veel plezier heb gelezen.

Ine over Moeder, na vader

Lang heb ik getwijfeld welk boek ik voor de zomer zou aanbevelen. Picknick bij maanlicht, een herontdekte Engelse klassieker, geestig en ontspannend, of In de schaduw van de stad, een mooie geschiedenis van vier eeuwen gewone Amsterdammers.

Nee, het wordt toch de nieuwe Gerbrand Bakker. Alleen al om de titel, Moeder, na vader, drie woorden en een komma, meer heeft Bakker niet nodig. Dit heerlijke boek, dat ik met zóveel plezier heb gelezen, is het verslag van een jaar uit zijn dagelijkse leven, met een hoofdrol voor zijn moeder, net weduwe geworden. Wie niet van ‘gewone dingen’ houdt, moet dit boek niet lezen. Maar die mist wel wat, al is het maar de superieure stijl van Bakker.

Een dagelijkse man, zo noemt Gerbrand Bakker zijn vader. ‘Geen goede radar voor sociale omgang. Koetjes en kalfjes. Geen diepe dingen.’ Vader is net overleden als het boek begint en Bakker doet zijn best om moeder te steunen. Ze maken kleine wandelingen om het huis en voeren hilarische gesprekjes die altijd over hetzelfde gaan. ‘Wat doe je overdag moeder?’ ‘Ik voer de kippen, want als ik de kippen niet voer, dan gaan ze dood.’ En: ‘Ik vind er niks meer aan, hoor. Maar ik tel mijn zegeningen.’

Tussendoor vertelt Bakker over de ontvangst van zijn laatste roman, de onmin met zijn oudste broer, het nieuwe hondje in zijn leven: Floris, een kleine foxterriër, het huis in de Eiffel, de zwerm bijen in zijn tuin, zijn gevecht met de ratten en de 44 potten jam die hij maakt. De zwarte bessen zijn het lekkerst, noteert hij trots.

Hij is soms nukkig, vilein en jaloers, vooral op andere schrijvers. Op Jaap Robben bijvoorbeeld, die zijn pr bij de boekhandel veel beter voor elkaar heeft dan hij. ‘Loslaten!’ roept vriend M. dan vanuit de achtergrond. ‘Loslaten.’

Gerbrand Bakker is een meester in het zeggen van diepe dingen zonder ze te zeggen. In mijn bescheiden ogen is hij een van de beste hedendaagse Nederlandse schrijvers.

Jacinthe over vier kinderboeken voor in de vakantiekoffer

Taart voor iedereen, een nieuw zoekboek van Thé Tjong-Khing! Alle dieren schrikken als een roofvogel hun spullen steelt. Vind op de tekeningen de gestolen voorwerpen terug en zoek bij wie ze horen. Liefhebbers van deze illustrator, die in augustus zijn negentigste (!) verjaardag viert, kunnen de hele zomer in Verwey Museum Haarlem terecht voor een overzichtstentoonstelling van zijn werk (3+).

Wie wordt er nu niet gelukkig en blij van de nieuwe gelijknamige dichtbundel van Edward van de Vendel? De katten Hannes en Hassan, de ezeltjes, de schildpadden, het wijze mamavarken en het dwergkonijn, allemaal proberen ze antwoord te geven op de vraag wat gelukkig maakt. Ontroerende, grappige en vooral verrassende gedichten met sprookjesachtig mooie tekeningen van Martijn van der Linden (alle leeftijden).

Voor alle aanstaande brugklassers: debutante Mohana van den Kroonenberg schreef met Dodo een ontroerend verhaal over de onzekere puber Dorian. Als hij tijdens het voorstelrondje in de brugklas zijn naam wil zeggen komt hij niet verder dan Do-do. Niet voor niets is het motto van dit boek ‘Fantasie is het enige wapen in de oorlog tegen de realiteit.’ Dorian zoekt troost bij een imaginaire dodo en herschrijft zijn leven zoals hij zou willen dat het was. (10+)

De ogen en het onmogelijke (vertaald door Maria Postema) van bestsellerauteur Dave Eggers is verteld vanuit het perspectief van de hond Johannes die per ongeluk een held wordt. ‘De mens heeft de neiging om zichzelf overal in terug te zien, om te denken dat alles wat leeft een soort verlengstuk van mensen is, met name dieren, maar in dit boek is dat niet het geval. Hier zijn de honden honden, de vogels vogels, de geiten geiten en de Bizons Bizons.’ (10+).

vertaald uit het Frans door Peter Bergsma

Lena over Geloven in het wild

Een jonge Franse antropologe komt tijdens haar veldonderzoek in Kamtsjatka oog in oog te staan met een wilde beer. De beer valt haar aan en wonder boven wonder overleeft ze het, maar het gevecht laat wel fysieke en mentale sporen na. Er gebeurt veel in de tijd na de confrontatie, zowel in haar leven, als in haar hoofd en lichaam. De grens tussen haar en de beer vervaagt, ze merkt dat ze sinds het gevecht verbonden is met de beer. Ze verplaatst zich tussen Rusland en Frankrijk en ervaart de verschillen in doen en denken tussen de culturen. In beide landen ondergaat ze operaties, maar ze merkt dat ze terug naar de animistische Evenen en in de buurt van de beer wil zijn. Volgens de Evenen is ze nu een Medka, half mens en half beer.

Nastassja Martin heeft dit zelf meegemaakt en haar ervaringen op papier gezet. Haar unieke schrijfstijl leest heel makkelijk en is tegelijkertijd poëtisch en diepgaand. Ik vond het een fascinerend boek, het verbaasde me en zette me aan het denken. De afgelopen weken heb ik alweer van alles gelezen, maar aan dit bijzondere boek blijf ik terugdenken.

vertaald uit het Frans door Hester Tollenaar

Tatjana over De slapende kinderen

Net bijgekomen van een periode die beheerst werd door een wereldwijde pandemie, bekroop me een ongemakkelijk gevoel toen ik de achterkant van De slapende kinderen las. Dit boek gaat namelijk over de aidsepidemie, die in de jaren ’80 en ’90 veel slachtoffers maakte. Ik kan me die angstige tijd met de bijbehorende stigmatisering van de homogemeenschap nog goed herinneren. Wat mij uiteindelijk over de streep trok, is dat Anthony Passeron aan de hand van het korte leven van zijn flamboyante oom beschrijft hoe er binnen zijn familie met de ziekte werd omgegaan. Ik heb het in één adem uitgelezen.

Passeron vertelt hoe zijn oom Désiré, als oudste zoon van een gerespecteerde slagersfamilie uit een klein Zuid-Frans bergdorpje, begin jaren ’80 in Amsterdam het hiv-virus oploopt door een geïnfecteerde heroïnespuit. Vanaf dat moment wordt hij doodgezwegen door zijn moeder die de familie-eer wil redden en niet kan verkroppen dat haar favoriete zoon een junk is die aids ontwikkelt. Maar diezelfde moeder rijdt dag in dag uit naar het ziekenhuis om aan het bed te zitten van haar zoon en later van haar kleindochter, die ook besmet blijkt.

Passeron wisselt dit hartverscheurende familieverhaal af met hoofdstukken waarin hij beschrijft hoe de wetenschap naarstig op zoek gaat naar de veroorzaker van aids. Ik had destijds geen idee dat enkele vasthoudende Franse wetenschappers, verwikkeld in een concurrentiestrijd met de Amerikanen, hun strijd tegen het virus niet opgaven. Met resultaat!

De Franse auteur Annie Ernaux vat dit boek prachtig samen:
‘Zonder ooit de stem te verheffen, is de stilte van een familie verbroken die over een tragedie hing. Een werk dat zo krachtig en zo ontroerend is dat het lang na het lezen blijft hangen. Magnifiek.’

vertaald uit het Engels door Marian Lameris en Gerda Baardman

Tess over Ragnarök

In Ragnarök vertelt de Engelse schrijfster A.S. Byatt (geboren als Antonia Susan Drabble) het eeuwenoude verhaal van de ondergang van de Noordse goden. Geïnspireerd op haar eigen ervaringen zet Byatt de beroemde legende naar haar hand door het perspectief te kiezen van een jong meisje, ‘het tengere kind’, dat in de Tweede Wereldoorlog van de stad naar het platteland verhuist en van haar moeder het boek Asgard en de goden krijgt. De verhalen over monsters, goden en oorlogen die het kind leest, leiden haar af van de onrustige en soms angstige wereld om haar heen, maar zijn daar ook een weerspiegeling van.

Ik lees graag Noordse mythologie en in deze hervertelling kwamen goden als Odin, Thor en Loki weer op een nieuwe manier tot leven. Ragnarök is een prachtig verhaal dat je kunt lezen als je van Noordse mythologie houdt, maar voorkennis is zeker niet nodig.

Inschrijven nieuwsbrief